David Simon (The Wire): ‘We zijn allemaal medeplichtig’

Image

David Simon is journalist en schrijver van tv-series als The Wire, Treme, The Corner en Generation Kill. Op dit moment werkt hij aan een HBO-miniserie over Martin Luther King. Ik sprak hem enkele jaren geleden over zijn werk, met speciale aandacht voor het kroonjuweel in zijn oeuvre, moeder aller tv-series The Wire.

Of hij nu met notitieblok door vergeten, grauwe achterbuurten struint in zijn door drugs, geweld en wanhoop gegijzelde woonplaats Baltimore, of met een filmcrew rijke Afro-Amerikaanse muziekcultuur en de nasleep van orkaan Katrina vastlegt in New Orleans, David Simon (1960) is op oorlogspad. Wie zich niet wil aansluiten bij zijn strijd voor menselijke waardigheid, kan beter bukken.

Het meest effectieve wapen dat Simon tot nu toe in zijn strijd heeft ingezet, heet The Wire, de bejubelde HBO-tv-serie waarvan hij bedenker, producer en de voornaamste schrijver is. The Wire is op het eerste gezicht een politieserie; de kijker volgt een eenheid die een drugsbende afluistert en tracht op te rollen. Maar het is slechts “vermomd als tv-drama”, vertelt Simon tijdens een interview in een hotelkamer in Amsterdam. “Het gaat over een rijk dat in verval is; dat niet langer in staat is problemen te herkennen, laat staan ze op te lossen.”

In The Wire gebruikt Simon elementen uit het stramien van de politieserie om de kijker te confronteren met fundamentele problemen in de Amerikaanse samenleving. Hij schakelt tussen gekonkel en geworstel in de drugshandel, het politieapparaat, onderwijs, media en politiek en laat de problemen in al die verschillende werelden – bot beleden hiërarchie, corruptie, het stellen van eigenbelang boven dat van de gemeenschap – opvallend overeenkomen. In de strijd om kil, statistisch aantoonbaar succes, delft in Simon’s visie de menselijkheid steeds het onderspit.

Simon’s serie doet denken aan het paard van Troje, dat andere oorlogsinstrument. In een wereld van instantbevrediging, van een stortvloed aan series met pasklare fomulefictie, waarin agenten met coole zonnebrillen maar naar een plasje bloed hoeven te kijken om de wereld weer beter te maken, heeft hij met The Wire de tragedie teruggebracht. “Er gaat niet veel geld om in het verwijzen naar de menselijke inspanning als tragedie,” zegt Simon. Hij haalt met een lachje zijn schouders op, en zegt: “The Greek dug it.”

The Wire is een serie waarin grof geweld nog pijn doet en het cynisme van een rechercheur geen kunstmatige karakterschets is maar ingevoelde overlevingsdrang. Het is geen serie om bij uit te buiken maar een die de kijker ongemakkelijk confronteert met sociale en morele verloedering.

Door rauw de pijn en de hardheid te laten zien van jongeren die opgroeien in door misdaad verscheurde buurten, door het onvermogen te tonen van zelfs de onderwijzers, politici en journalisten met de beste bedoelingen in een door corruptie verkalkt systeem, en door de wanhoop en carrièredrang weer te geven van rechercheurs die met theelepeltjes een strontlawine proberen tegen te houden, verklaart Simon met The Wire voluit de oorlog aan de status quo in zijn land.

Die oorlog brengt David Simon een dag voor het interview in bioscoop The Movies in Amsterdam, waar hij vanachter een houten tafeltje zijn wapen ontleedt en zijn strijd uit de doeken doet. Met een mengeling van gortdroog commentaar, scherpe politieke analyse en zo nu en dan een stevige, rauwe vloek, toont hij cruciale scènes uit zijn tv-serie die geen tv-serie wil zijn.

Het eerste salvo dat Simon met The Wire afschoot, de eerste scène van de eerste aflevering, is een allegorie voor de rest van de serie, legt hij uit. Op een trap praten de witte moordrechercheur Jimmy McNulty en een zwarte moordgetuige over ‘Snot Boogie’, een jongen die is doodgeschoten. ‘Snot Boogie’ stond er om bekend dat hij voortdurend het dobbelspel van de jongens op straat verstoorde door er met de pot vandoor te gaan. Dan schopten en sloegen de jongens hem normaal gesproken wel maar dat hij nu is doodgeschoten, dat vindt de getuige te ver gaan – iedereen wist toch hoe ‘Snot Boogie’ was?

Agent McNulty – die een ironische verhandeling houdt over het lot van een jongen die door zijn omgeving ‘Snot Boogie’ wordt genoemd – vraagt met een gefronste blik waarom de jongens het slachtoffer steeds weer tot het dobbelspel toelieten, wanneer ze al wisten dat hij er toch weer met de pot vandoor zou gaan. Het schouderophalende antwoord van de getuige: “Moet wel, dit is Amerika man…”

In The Wire staat “Amerika als schizofreen land” centraal, vertelt Simon. De botsing van werelden die, vlak naast elkaar, volstrekt langs elkaar heen leven en het failliet van een systeem waarin winstbejag en statistieken prevaleren boven het menselijk belang.

Simon: “Ik ben geen marxist; ik geloof in kapitalisme als motor van de economie. Maar wanneer je het omarmt als kader om een rechtvaardige samenleving te bouwen, eindig je met een deel van de bevolking dat in de postindustriële wereld niet langer nodig is.”

Die “overgebleven Amerikanen”, zoals Simon ze noemt, bouwen hun eigen economie, bijvoorbeeld met drugshandel of een dobbelspel in een achterafsteegje. Een eigen wereld waarin – zo laat The Wire steeds zien – vergelijkbare politieke, morele en economische principes gelden maar die tegelijk niet door een grotere kloof van de dominante wereld gescheiden kon zijn. Simon: “Het verhaal klinkt absurd voor McNulty maar niet voor de jongen die het vertelt.”

The Wire is Simon’s alternatief voor de meer gangbare serie, waarin problemen steevast nog voor het volgende commercialblok worden opgelost. Zijn land heeft “meer mensen in gevangenissen dan elk ander land” en “het politiedepartement is zichzelf kwijtgeraakt in de oorlog tegen drugs,” zegt de voormalige misdaadverslaggever.

Andere politieseries creëren volgens Simon draagvlak voor mislukt beleid, door te zorgen dat de politiejacht op dealers en misdadigers “zo nobel en eervol mogelijk overkomt. Maar ze hebben geen enkele straathoek teruggeclaimd in Baltimore; ze falen al veertig jaar lang… Normaal gesproken trekken we ons terug wanneer we een oorlog verkloten.”

De kiem van The Wire ligt in de tijd dat Simon frontsoldaat was, ruim twintig jaar geleden. Als jonge misdaadverslaggever van The Baltimore Sun mocht hij een jaar optrekken met de afdeling Moordzaken van de politie in zijn woonplaats. Waarom hij daarvoor toestemming kreeg, weet Simon nu nog steeds niet. De hoofdcommissaris die hem toegang verleende, overleed voordat hij publiceerde.

Simon kreeg de status van ‘politiestagiair’ en volgde de rechercheurs elke dag op de voet met zijn notitieblok; in eerste instantie met lang haar en een oorbel, later op verzoek non-descript, om op de plekken van misdaad niet teveel uit de toon te vallen. Hij balde het onderzoek samen in zijn boek Homicide; een tweede onderzoek van een jaar, naar de gang van zaken rond een straathoek waar drugs werd verhandeld, leidde tot The Corner. Ook deze boeken vormden eerder al de basis voor tv-series.

In Homicide beschrijft Simon een inval van rechercheurs in een smerig drugspand vol beschimmelde matrassen en plastic emmers met urine, op zoek naar aanwijzingen over de moord op een 11-jarig meisje; de zaak die de ruggengraat vormt van zijn boek, omdat het een moord betreft die rechercheurs nog raakt, die politici extra zenuwachtig maakt en die belangrijker is voor de media dan alweer een dode drugsdealer. Een moord, kortom, die zich aan statistieken ontworstelt.

In de no-nonsense stijl van de misdaadverslaggever schetst Simon een botsing van de twee Amerika’s, met rechercheurs die hun colberts aanhouden, uit angst dat die vol ongedierte komen te zitten, en die woedend zijn over de bewoners van het pand, die de ‘strijd om menselijke waardigheid’ hebben opgegeven en hun defaitisme overdragen aan een volgende generatie. Tot een jongetje van 10 hen toestemming vraagt iets uit zijn kamer op te halen. Wat dan? Zijn huiswerk.

In die tijd had Simon nog geen uitgekristalliseerde politieke boodschap. Homicide is voor alles een reportage, vertelt hij in de Amsterdamse hotelkamer, hoewel zijn rauwe verslag over rechercheurs die werken “in de donkerste hoek van de menselijke beleving (…) wel degelijk laat zien dat er twee Amerika’s zijn en dat dit ook het Amerika is dat je gecreëerd hebt.”

In Homicide is Simon nog een journalist die in de hoofden van zijn karakters kruipt en de grenzen opzoekt van de traditionele objectiviteit die volgens hem in de dagelijkse journalistieke praktijk noodzakelijk is maar bij een verhaal met langere adem “vals is en het bloed uit je verhaal zuigt.” Volgens hem verschuilen journalisten zich achter objectiviteit en creëren ze “afstand met aanhalingstekens.”

The Wire gaf verhalenverteller Simon de ruimte een krachtiger standpunt in te nemen. De scène over ‘Snot Boogie’ is in Homicide een daadwerkelijke anekdote van een rechercheur, en de jongen die om zijn huiswerk vroeg, “was een geschenk van God (…) het is in non-fictie fantastisch wanneer een karakter zich gedraagt op een manier die het thema raakt. Maar je moet het verhaal ook volgen wanneer dat niet gebeurt.”

“In The Wire kon ik de rauwe politieke opinies kwijt die ik had weggestopt. The Wire is een constructie die iets vertelt over ons land, op een wijze die Zola, Huxley en Orwell niet zou verbazen. Als ik een persoon wil creëren die de puurste vorm van kapitalisme vertegenwoordigt en die De Griek wil noemen, hoef ik alleen nog maar mijn pen op het papier te zetten.”

The Wire is tv-fictie met de zeggingskracht van een doorwrochte documentaire; het journalistieke Homicide heeft kenmerken van een roman. Het is primair dezelfde oorlog, maar met andere media uitgevochten. Simon’s hoofdthema – iedereen is verantwoordelijk voor het falen van het systeem – komt in The Wire tot volle wasdom.

The Wire gaat niet over een slechterik zoals Fagin, het corrupte personage in een Dickensiaans dorp,” vertelt hij, “maar over een commissaris die bang is voor de publiciteit omdat hij wil promoveren; over een schooldecaan die zich zorgen maakt over het omhoog stuwen van testresultaten terwijl kinderen niets leren. Het gaat over de banaliteit van het kwaad. Mensen doen hun uiterste best statistische vooruitgang te suggereren zonder dat daadwerkelijke vooruitgang plaatsvindt.”

“Op tv draait het vaak om het vinden van de slechterik, maar we zijn allemaal de bad guy. Iedereen is verantwoordelijk voor de notie dat we een haalbare oorlog uitvechten tegen drugs, dat we een legitieme reden hadden voor de oorlog in Irak, of voor het falen van ons onderwijssysteem. We zijn allemaal medeplichtig. Dit is het Amerika dat we hebben laten ontstaan; dat is de corruptie die mij interesseert.”

Daarom zijn institutionele problemen voor de schrijver Simon belangrijker dan individuele noties van goed en slecht. In The Wire hoeven straatkinderen maar één dag naar school, omdat dat voldoende is voor de school om subsidie te krijgen voor die leerling. De vondst van een stapel lijken, zorgt met name voor statistische onrust onder superieuren en politici die op percentages worden afgerekend. In plaats van problemen aan te pakken, wordt met cijfers gegoocheld. Simon: “Zodra er een statistiek is, zitten er vijf gasten in een kelder te bedenken hoe ze die kunnen omzeilen.”

In Simon’s serie leggen individuen het af tegen instituties en dat wordt volgens hem op de Amerikaanse tv “beschouwd als een belediging.” Hij toont een wereld met diepgewortelde problemen zonder de kijker de illusie voor te schotelen dat die daar nog enige controle op kan uitoefenen. Simon: “Het is een verontrustende show.”

In essentie is Simon nog steeds, wat hij noemt, een ‘newspaper man’, ook al heeft hij de in zijn ogen steeds bleker wordende dagbladjournalistiek ver achter zich gelaten. Voor zijn HBO-serie Generation Kill, over de aanloop naar de Irak-oorlog, baseerde hij zich op het gelijknamige boek van Rolling Stone-journalist Evan Wright, en ook voor de serie Treme, over de nasleep van orkaan Katrina in New Orleans, werkte hij nauw samen met een goed ingevoerde journalist. De man die voor tv ging werken “om meer boeken te verkopen”, ziet nu in tv een medium waarin hij, “zoals Balzac en Tolstoy”, goed gefundeerde, kritische verhalen kan vertellen over de samenleving.

Zijn serie over New Orleans filmde David Simon in Treme, de muziekwijk “die de wereld het grootste cadeau heeft gegeven dat Amerika kon geven. Geen wapens, geen CIA-kantoren, maar Afro-Amerikaanse muziek; dat is waar mijn land om herinnerd zal worden wanneer al het andere is verdwenen. Veel van die muziek komt uit die ene wijk. Om dat zo kwetsbaar te zien, zo genegeerd…” Hij schudt zijn hoofd. “Als New Orleans niet eens de moeite waard is om te redden, dan hou je weinig over dat wel de moeite waard is.”

Een kortere versie van dit interview verscheen eerder in NRC Handelsblad.

De bescheiden grote bek van Kanye West

Ik heb Kanye West een aantal keer gesproken. Een mooi gesprek vond ik dat in Londen in 2005, over zijn tweede album ‘Late Registration’. Je kunt het hier lezen, in aanloop naar het verschijnen van zijn zesde soloalbum ‘Yeezus’ volgende week.

Image

Kanye West live in Londen, 2013 (foto: Saul van Stapele)

De man van wie ze zeggen dat hij zo’n grote mond heeft, zit op een bank in een hotelkamer in Londen en vraagt zich af waarom hij nog steeds niet de rapper is die hij wil zijn. Terwijl hij gefrituurde stukjes kip en patat eet uit een papieren zak, zegt Kanye West: “Toen ik begon met rappen was ik zwak; ik probeerde te rappen als alle anderen. Ik heb later mijn eigen stijl gevonden, maar daarin zat ik nog steeds wel eens naast de maat. Ik ben nu op zoek naar dat kleine beetje wat ik mis. Ik ben dichtbij, en veel mensen zullen zeggen dat ik helemaal niets mis, maar ik weet gewoon dat er nog iets is.”

Het is 2005. Van zijn zojuist verschenen tweede album The Late Registration werden in de VS in de eerste week ruim 900.000 exemplaren verkocht en critici wereldwijd riepen het uit tot een van de belangrijkste albums van het jaar. De man die in kritieken wordt gelauwerd als een muziekvernieuwer, veegt zijn mond af met een servetje en vertelt je dat hij zelf niet zo tevreden is over die cd omdat er een aantal nummers opstaat dat hij niet zo geweldig vindt, zoals bijvoorbeeld de tweede single Gold Digger met Jamie Foxx.

“Dat is niet een van mijn persoonlijke favorieten, maar het heeft wel al die platen verkocht. Gold Digger is mijn gouden ketting. Ik houd misschien niet zo erg van gouden kettingen maar elke keer wanneer ik er een omhang, krijg ik zooooveel meisjes dat ik het wel moet dragen wanneer ik naar de club ga.”

De superster met het strak geknipte baardje draagt hagelwitte sneakers, jeans en een door de kleuren roze en lichtblauw gegijzelde regenboogtrui. Hij leunt ontspannen achterover in de hotelbank en begint de nummers van zijn album op te sommen die ‘wel volledig mijn ziel aanspreken’. “De originele versie van Diamonds From Sierra Leone, eh, Gone, en…eh…Roses, Drive Slow, eh, heb ik de originele versie van Diamonds al genoemd? De remix van dat nummer had natuurlijk nooit in het midden van het album moeten staan. Waarom niet? Omdat het een fucking remix is.”

Je vraagt of de rapper dan niet zelf besloten heeft dat de remix van dat nummer een prominentere plek op het album heeft dan het origineel.

“Het is een gezamenlijke beslissing; van de a&r (artist & repertoire)-managers, de president.”

Je bedoelt de president (Jay-Z) die rapt op de remix?

Een flauwe glimlach, en weer dat ene argument: “Ach, het heeft wel een hoop albums verkocht.”

Jarenlang maakte Kanye West zijn vooruitstrevende hiphop in de schaduw van grootheden, als beatleverancier voor Jay-Z en een indrukwekkende reeks hiphop- en r&b-sterren. Nu Kanye zelf een bekende artiest is, vertelt hij dat hij ondanks zijn legendarisch grote mond nog steeds het gevoel heeft dat hij leeft in de schaduw van grootheden.

“Ik zal je een geheim vertellen…nou ja, het is alsof Michael Jordan je in het geheim vertelt dat hij altijd binnen vijf minuten twintig dunks scoort; dat is niet iets wat iedereen kan. Maar wanneer ik aan het werk ben, ga ik de strijd aan met een album van Stevie Wonder. Dat is het niveau dat ik wil bereiken, een album dat niet te ontkennen is. Ik hoop ooit nog eens dat echt foutloze album te maken. Hoeveel foutloze albums zijn er in hiphop? Misschien…ja, The Chronic van Dr. Dre, dat is het beste hiphopalbum aller tijden. Je hoeft geen moment door te spoelen, alles is zo fantastisch gemixt en geproduceerd. Ik moet Dr. Dre vragen om mijn volgende album af te mixen.”

Kanye is kritisch over zijn eigen meesterwerk, ook al omdat hij door de samenwerking met filmcomponist en producer Jon Brian (o.a. Fionna Apple), die hem voor dit album hielp de producties rijker en meer gelaagd te maken, het gevoel heeft midden in een leerproces te zitten. “Het is zo grappig…zo goed als mensen Late Registration vinden…het is maar een ruwe schets van waar we de muziek kunnen brengen. Ik heb meer geleerd over strijkersarrangementen, en over hoe ze vroeger dat drumgeluid creëerden dat we nu allemaal samplen. Maar we waren in de studio nog volop aan het leren; ik denk dat het nog wel tot het volgende album duurt voordat we precies weten wat we aan het doen zijn.”

De zelfkritiek en de openheid waarmee Kanye West over de sterke en zwakke kanten van zijn muziek praat, staan in scherp contrast met het imago dat hij de afgelopen jaren opbouwde, namelijk dat van een onuitstaanbare arrogante klootzak. In een eerder interview dat je met hem had tijdens een door Dame Dash overschaduwde promotiedag in Rotterdam, rolde er nauwelijks een verstaanbaar woord uit zijn mond en was hij geïrriteerd en ongeïnteresseerd. Hij vocht publicaties in de VS aan omdat ze zijn cd’s te laag waardeerden (alles minder dan de status van klassieker was te laag) en klaagde luidkeels dat hij vond dat hij te vaak werd gepasseerd voor belangrijke muziekprijzen.

Een belangrijke les in de cursus mediatraining voor supersterren is: Wat Ze Ook Over Je Zeggen, Alles Is De Schuld Van De Media. En het heeft even geduurd, maar ook Kanye heeft het cursusboek eindelijk onder ogen gekregen. En dus riep hij bladen als Time en Vibe tot verantwoording, omdat zijn nogal hoogdravende uitspraken verkeerd geciteerd zouden zijn. En vertelt hij iedereen die het wil horen dat het probleem is dat de media zijn grapjes niet goed kunnen overbrengen. “Het is een misverstand dat ik arrogant zou zijn; een klootzak in de foute betekenis. Ja, ik ben een klootzak, maar dan op de goede, grappige manier.”

Je vraagt hoe mensen er bij komen dat hij een arrogante klootzak is.

“Wanneer ik zeg, zoals net, dat ik mijn albums met die van Stevie Wonder vergelijk als ik in de studio aan het werk ben, dan maak jij er een klootzakkerig citaat van zodat ik over kom als een arrogante kwal. Maar weet je, ik liep wel een beetje met mijn hoofd in de lucht toen ik net begon. Artiesten hielden geen rekening met wat ik wilde, die wilden het doen zoals ze het altijd deden. En ik wilde het juist op mijn manier doen.”

En om dat te bereiken, moest je zelf artiest worden?

“Ja, ik had de wereld wat te zeggen. God heeft een heel smal paadje uitgehakt, dwars door het midden van een brede weg. Een menigte backpackers die de ene kant opging; een grote groep die met de gangsta rappers meeging. En ik zag een straaltje licht door het gras, duwde met mijn handen de bladeren weg, en op dat moment hoorde ik heilige muziek: hóóó. En terwijl op de weg voor niemand meer ruimte was, zo druk was het, lag het daar helemaal open. Ik begon te rennen en te rennen, overzee, naar de top van de hitlijsten, naar de Grammy’s, en nu ben ik nog steeds aan het rennen en komen er zelfs mensen bij. Common is hier aan het rennen en springen in zijn wereld, en John Legend, en zelfs Jay-Z, die was daar bij de gangsta rappers en had zoiets van: ‘hé, ik wil ook violen!’ En toen riepen alle artiesten: ‘We have strings! We have strings! We have messages!”

De mensen die zich op de door hem ontdekte verlaten vlakte hebben verzameld, hebben volgens Kanye West gemeen ‘dat ze kunnen onderscheiden wat wel goed klinkt en wat niet’. Hij vergelijkt het met mode: “Mensen die zich niet kunnen kleden, vinden het natuurlijk mooi wat ik draag. Maar zelf hebben ze iets lelijks aan, en dat vinden ze ook mooi. Ze kunnen het onderscheid niet maken, maar als muziekproducer moet je weten wat ‘hot’ is, en wat niet.”

Je vraagt wat volgens hem de essentie van hiphop is.

“Je moet echt denken dat ik de Dalai Lama ben van hiphop of zoiets. De es-sen-tie van hiphop.”

De essentie voor jou. Waarom ben jij van hiphop gaan houden?

“De energie, de nieuwheid. Eén van de redenen dat het moeilijk is om tien miljoen hiphopalbums te verkopen, is dat het bij hiphop juist gaat om het nieuwe, om de frisheid. Daarom zeiden mensen een tijdje dat ze hiphop haatten, omdat het bleef steken. Terwijl er eigenlijk geen reden is om een slecht hiphopalbum te maken. Wij kunnen, in tegenstelling tot rockmuzikanten, alles samplen. We zetten drums onder muziek uit de jaren twintig, en het is nieuw.”

Veel mensen die hiphop haten, zijn dol op Kanye. Hoe komt dat, denk je?

“Omdat ik altijd een sterke melodie heb die de wilde beats wat verzacht. Als je een liedje hebt zonder melodie, en je haat hiphop al, dat is het ergste wat er is.” Hij begint schreeuwerig te rappen: “Listen to this shit! Listen to this shit!” Maar ik rap niet zozeer, het is meer talkradio over een beat. En tachtig procent van de mensen die hiphop haten, luisteren wel naar talkradio. Ik breng echt onderwerpen, het is niet zo dat ik de hele tijd rap: ‘Me! Me! Me! Me! Me!”

Ben jij de redder van de reputatie van hiphop als creatieve cultuur?

“Mensen zeggen dat altijd: Kanye is de redder van hiphop.” Hij grijnst: “Ik vind het echt fijn wanneer ze dat zeggen.”

Yeezus verschijnt 18 juni.

Dichten met boektitels

Rappers als verhalenvertellers: Nas en Kendrick Lamar

In de zomer van 2012 schreef ik voor het Cultureel Supplement in NRC Handelsblad een artikel over de kunst van het verhalen vertellen in hiphop, waarvoor ik sprak met veteraan Nas (39) uit New York en grote belofte Kendrick Lamar (25) uit Los Angeles, over empathie, maatschappelijke verantwoordelijkheid en het belang van een goede eerste zin.

Nu ze beiden weer optreden in Nederland, zet ik het op mijn blog. Bij deze, dus.

Rapper Nasir ‘Nas’ Jones (38) uit New York is een van de voornaamste hiphopveteranen. Kendrick Lamar (25) uit Los Angeles is een van de boeiendste nieuwe namen aan het hiphopfront. Beide rappers blinken uit in hiphop als verhalende kunstvorm, ze benaderen hun raps regelmatig als een romancier.

Nas is de meester van de moderne, verhalende hiphop. In zijn inmiddels ruim twee decennia omvattende oeuvre, wemelt het van de nummers waarin de rapper in drie, vier minuten een ijzersterk, puntig verhaaltje vertelt. Soms betreft het slim uitgewerkte concepten, zoals in Rewind, waarin hij de omgekeerde verhaalstructuur van de film Memento ingenieus toepast, en I Gave You Power, dat hij rapt vanuit het perspectief van een pistool.

Maar vaker draait het bij Nas niet zozeer om het concept maar om de gelaagde romantechnieken waarmee hij zijn verhalen vertelt. Een goed voorbeeld is het nummer Accident Murderers van zijn zijn deze week verschenen Life Is Good; een van de sterkste albums van dit jaar tot nu toe. Het is een nummer van Nas met collega Rick Ross over jonge gangsters die per ongeluk een onschuldige omstander doodschieten en daar crimineel krediet mee trachten op te bouwen.

De eerste zin van het nummer is: ‘You cocked back, you thought you had it planned.’ De luisteraar zit direct in de actie; Nas spreekt een karakter aan dat de haan van een vuurwapen spande en ‘dacht’ dat hij alles goed had voorbereid. Het is direct een explosieve situatie, inclusief de suggestie dat het helemaal fout zal gaan, en we hebben er nog maar negen woorden opzitten.

Er worden in rapteksten vaker vuurwapens op scherp gezet en dat gaat ook regelmatig mis, maar in veel gevallen betreft dat een wat lukrake verzameling van situatieschetsen en opschepperij. Alleen de grote vertellers uit de hiphopcultuur – voorbeelden zijn ook wijlen The Notorious B.I.G, pionier Slick Rick, Ghostface Killah van Wu-Tang Clan, Ice Cube, Eminem en Action Bronson – weten hun informatie te doseren, een spanningsboog te creëren en de luisteraar in hun verhaal mee te slepen.

Voor Nas  is het schrijven van een rap een secuur proces vertelt hij eind juni in zijn kleedkamer in de Melkweg in Amsterdam, vlak voor een optreden. Hij draagt een grote zonnebril en zit onderuitgezakt op een bank, met zijn voeten op een stoel voor hem, omringd door zijn entourage. ‘Het is soms eenvoudig om te redigeren,’ zegt Nas op luie toon, ‘en soms laat ik ruimtes in de tekst open die ik later met iets nieuws invul.’ Die eerste zin is cruciaal, zegt de rapper uit Queens, New York. Nas: ‘Verhalen vertellen is een van de belangrijkste onderdelen van rap en je wilt de luisteraar grijpen vanaf het eerste woord.’

In het verhaal van Accident Murderers maakt Nas zowel van de schutters als het dodelijke slachtoffer mannen van vlees en bloed. Hij vertelt dat de schutter goed kon opschieten met de man die hij per ongeluk vermoord. En zoomt in op details; zoals de tandenstoker die een van de mannen altijd uit zijn mondhoek laat bungelen, terwijl hij één wenkbrauw optrekt. Nas vult dergelijke verhaaltechnieken aan met prachtige poëtische details; zo stipt hij in single Nasty van zijn nieuwe album kort Louis XIII aan om zijn status te benadrukken. In één moeite door een verwijzing naar een duur cognacmerk, naar het luxe leven van de Franse koning en naar de opvallend lange regeerduur van deze vorst.

‘Soms zie ik een scène helemaal voor me,’ vertelt de ervaren rapper, ‘en soms schrijf ik wat er maar in mijn hoofd opkomt, gaat het meer op gevoel en hoor ik hoe het klinkt wanneer ik het uitspreek. Ik verzamel elke dag en overal waar ik kom opvallende dingen die ik zie en hoor en probeer in mijn teksten zo helder en beschrijvend mogelijk te zijn.’

In de laatste verse van Accident Murderers roept Nas sympathie op voor de slachtoffers. Zoals zijn vriend voor wie hij ter herinnering een joint rookt en wodka op het beton laat lopen; een hiphopritueel waarin de drank ‘gedeeld’ wordt met de overledene. Nas roept ook de beautiful sister in herinnering die nooit thuiskwam omdat ze in haar hoofd werd geschoten; een specifiek slachtoffer naar wie hij in de verhalende klassieker One Love op zijn debuutalbum Illmatic uit 1994 ook al verwijst als ‘de nicht van Jerome’.

Dan schakelt zijn focus naar de schutters die en vraagt ze wie ze proberen te imponeren. De rapveteraan twijfelt aan hun inzicht en vertelt dat hij de schutters al kent sinds ze baby’s zijn; dat hij speels met ze worstelde en ze zag opgroeien tot koelbloedige, roekeloze kleine gangsters die moorden en voor niemand respect hebben. Door die achtergrond te benoemen, geeft Nas ook de mensen die hij in zijn tekst flink aanpakt een hart, een verleden en een mate van onschuld.

Nas hoopt met zijn empathische manier van vertellen, de schutters te bereiken. In de balans tussen kunst en maatschappelijke verantwoordelijkheid, is dat laatste op dit punt in zijn carrière in zijn werk even belangrijk geworden, vertelt hij. ‘Die jongens hebben niet iets in hun geest dat ze vertelt dat ze moeten kalmeren. Ze hebben de wil erbij te horen en wanneer mensen bang voor je zijn omdat je krankzinnig bent, voelt dat als macht. Maar het is een vorm van macht die je misbruikt omdat onschuldige mensen vernietigd worden. Ik hoop dat ze betere beslissingen gaan nemen.’

Ook Kendrick Lamar is een rapper die in zijn raps bekende problematiek een gezicht geeft. Lamar is een rapper uit Compton, de bakermat van de gangsta rap. Hij keek op zijn vijfde naar clips van Dr. Dre en Snoop Dogg waarin de hiphopcultuur van Los Angeles breed werd uitgemeten, van lowriderauto’s tot gangkleuren tot schaars geklede vrouwen. Nu is Lamar na onder anderen Snoop Dogg, Eminem, 50 Cent en The Game, de nieuwste rapper die Dr. Dre onder zijn hoede heeft genomen.

‘Mijn ouders waren jong en ze draaiden thuis niets anders dan westkustrap,’ vertelt Lamar in zijn kleedkamer in De Melkweg, een dag voordat Nas daar optreedt. ‘Ze steunden me in mijn keuze voor muziek omdat het iets constructiefs was. Het was eenvoudig om door het straatleven opgeslokt te worden. Met muziek had ik iets om handen.’ Lamer is inmiddels succesvol soloartiest en spreekbuis voor hiphopcrew Black Hippy, met rappers Jay Rock, Ab-Soul en Schoolboy Q, die de westkustrap opnieuw definieert.

Lamar is geen opschepper maar een introverte twintiger die de problemen beschrijft van de ‘crackgeneratie’; de jongeren die net als hij op het hoogtepunt van de crackepidemie in de jaren tachtig geboren werden. Lamar wil net als Nas – die hij in het interview zijn belangrijkste inspiratiebron noemt op het gebied van verhalende hiphop –  een diepere laag toevoegen aan de karikaturale gangsterverhalen die zijn genre domineren. Wat mist in die verhalen, is volgens Lamar ‘het verhaal over de andere kant; de jongeren die straatimago’s niet ophemelen maar juist hun best doen er van weg te blijven.’

Dat is zeker in Compton niet eenvoudig, vertelt Lamar. ‘Van buitenaf lijkt het een grote kluwen van gangcultuur maar de gangs zitten dicht op elkaar; misschien twee blokken of straathoeken van elkaar verwijderd. Het kan elk moment gewelddadig worden en je moet je er echt doorheen manoeuvreren. Mijn focus op muziek hielp me uit de problemen te blijven.’

Ook Lamar weet de wereld om hem heen in detail op te roepen in zijn raps. Ook hij ziet de scène vaak voor zich terwijl hij een rap schrijft. Lamar: ‘Ik zie hoe ik zal beginnen, de climax en het einde. Daarna hoef ik alleen nog woorden aan het beeld toe te voegen.’ De beelden die hij ziet, zijn in het begin nog niet concreet. ‘Het begint met kleuren, bijvoorbeeld bruinzwart bij een donkere beat en gelig oranje bij een heldere beat. Die kleuren zijn de bron van de scène die ik uitwerk. Daar komt de sfeer vandaan.’

Opvallend is dat zowel Nas als Lamar in een recente verhalende rap verantwoordelijkheid nemen voor de jonge vrouwen in hun gemeenschap. Veteraan Nas voor zijn dochter in single Daughters en Lamar voor zijn jonge zusje in Keisha’s Song (Her Pain).

Nas schreef een nummer aan zijn dochter nadat hij er achterkwam dat ze correspondeerde met een 16-jarige jongen in de gevangenis. Nas is in het nummer een bezorgde vader maar analyseert ook zijn eigen gebreken als ouder en zijn eigen jeugd. ‘Ik wilde niet hypocriet zijn,’ vertelt Nas. ‘Toen ik 16 jaar oud was, had ik ook vrienden in de gevangenis; ik snap waar ze allebei vandaan komen. Tegelijk zie ik nu mijn tienerdochter vanaf een andere kant en wil ik haar beschermen.’

Lamar schetst in het Keisha’s Song (Her Pain) een huiveringwekkend verhaal over een tienermeisje dat zich prostitueert, vol tragische details. Het meisje luistert Tupac’s Brenda’s Got A Baby, over tienerzwangerschap, terwijl ‘een smeerlap naar haar schreeuwt’. Aan het eind maakt Lamar het verhaal persoonlijk en vertelt hij dat hij zijn zusje op haar 11e naar het nummer liet luisteren, op de dag dat hij het had geschreven.

‘Ik kan haar niet dwingen een bepaalde soort vrouw te zijn,’ legt Lamar uit. ‘Maar ik kan haar laten zien wat de verleidingen zijn van een jonge vrouw die hier opgroeit. Ik kan haar situaties laten herkennen zodat ze dezelfde positieve beslissingen kan nemen die mij hebben gebracht waar ik ben, in plaats van beslissingen die haar de weg van Keisha laten gaan.’

Kendrick Lamar treedt 6 en 7 februari op in De Melkweg en is 6 februari te gast bij De Wereld Draait Door. Nas staat 25 maart in 013, Tilburg.

Brekend: Wilders fietst!

‘We schakelen nu over naar onze verslaggever in Den Haag. Er is wat aan de hand?’

‘Ja, we zien zojuist Wilders op zijn fiets zitten met Fleur Agema op zijn bagagedrager.’

‘Wat betekent dat…’

‘Volgens bronnen in Den Haag is dit de eerste keer dat Fleur Agema bij Wilders op de bagagedrager zit. Tot voor kort kwam Fleur Agema bij de besprekingen in het Catshuis altijd op haar eigen fiets aanrijden.’

‘En dat op in de week waarin Wilders helemaal aan de andere kant van de wereld een boek uitbrengt!’

‘Inderdaad, we hebben met de uitgever gebeld maar die wil nog niets zeggen. Dat is ook wel logisch want zolang wij het boek niet kennen, zullen wij er over blijven praten totdat we er bij neervallen.’

‘Dat is toch eigenlijk heel slim van die uitgever?’

‘Ja, en van Wilders die toch verdomd goed het spel met de media weet te spelen.’

‘Daar zullen de andere politici in Den Haag jaloers op zijn, is het niet?’

‘Ik zou het niet weten, wat is in godsnaam de laatste keer dat wij het hier over de andere politici in Den Haag hebben gehad?’

‘Haha, goed punt. Wat kun je ons verder nog vertellen?’

‘Volgens bronnen in Den Haag staat het kabinet nu op klappen. Dat zal wel iets met politiek te maken hebben maar wat is ons niet bekend.’

‘Maar dat wil niet zeggen dat we er niet lustig op los kunnen speculeren, toch?’

‘Nee, wat dacht je! Geert Wilders op de fiets, het is niet niets tenslotte. Wist je trouwens dat hij Obama in zijn boek heeft gekritiseerd. En dat in het Amerikaanse verkiezingsjaar…’

‘Geert waarschuwt Obama nog één keer…wat een wending! We gaan nu door naar een item over de rol van de PVV in de bezuinigingen en een taalkundige analyse van de kritiek van Wilders op de Turkse president maar we komen direct bij je terug wanneer…’

‘Wacht, wacht, ik krijg net in mijn oortje door dat Wilders nú op dit moment een tweetbericht aan het tikken is.’

‘Dit is live televisie hè mensen, het gebeurt allemaal op dit moment!’

ContraClowns

Groot alarm vandaag bij het AD op de voorpagina.

De meerderheid van Den Haag is niet langer ‘van Nederlandse origine.’

Dat nieuws wordt verder niet in een context geplaatst. Dat is nergens voor nodig, het is 2012.

Dat nieuws krijgt dus een poll: het maatschappelijk debat als talentenjacht

Op het moment van schrijven heeft ‘beangstigend’ op de AD-site veruit de meeste fans. Maar liefst 76 procent. Het getal is lekker vet gedrukt.

‘Ergerlijk’ en ‘deprimerend’ scoren ook goed, met respectievelijk 8 en 7 procent.

Dan zijn we er dus al bijna, wanneer we er voor het gemak vanuit gaan dat het totaal zo rond de honderd uitkomt.

Dat is in de journalistieke statistiek niet altijd duidelijk…

Ach, u moet de Hagenees niet altijd even serieus nemen.

Ik ben er zelf één.

Toen tien jaar geleden een man Philips-werknemers gijzelde en zichzelf daarna doodschoot omdat hij een kruistocht voerde tegen de breedbeeldtelevisie, zeiden ze bij mij in de straat: ‘Het zijn toch ook ondingen die breedbeeldtelevisies.’

Eerst waren ze werkloos vanwege de Turken, toen vanwege de Marokkanen en nu vanwege de Polen.

Al die tijd zaten ze met hetzelfde blikje Euroshopper-bier op een kruk, hun tranen met een roeptoeter in de rondte slingerend.

Huil maar, stil maar.

En dan tussen het pornosurfen dit bericht.

Een bericht dat steevast de krant in gaat met een grote foto van vrouwen met hoofddoeken die op de rug zijn gefotografeerd, ook al gaat het bericht over alles en iedereen die toevallig een oma in Costa Rica heeft.

Dan klikt de bange blanke op ‘beangstigend’.

Voor het multiculturele verzet gloort nog een klein beetje hoop.

Van de bezoekers klikte 2 procent op de optie ‘grappig’.

Ze zijn de helden van deze tijd en willen niets liever dan de bange blanken weer aan het lachen maken.

Ze zijn de ContraClowns.

Het meisje met de rode neus.

Met dank aan collega-Hagenees Gerard van den IJssel (www.gerardvandenijssel.nl)

Karnemelk in het Catshuis

De regering die afstand zou nemen van de multiculturele samenleving zit er nog steeds.

Ze is niet ergens anders gaan wonen en wij hebben ook geen nieuw bestuur gekregen.

Alsof je tegen je partner zegt dat je uit elkaar wilt gaan.

En dat het daarom de hoogste tijd is om samen te gaan wonen.

De kopstukken zijn al wekenlang bijeen in het Catshuis.

Daar eten ze, achter een massieve muur van Geen Commentaar, hun boterhammetjes met dikke plakken goudeerlijke kaas.

‘We kunnen de kinderen in Afrika ook belasting laten betalen, Geert.’

‘Zolang ze het geld dan maar niet zelf komen brengen, Mark.’

‘Hahahaha.’

En daar, terwijl Maxime het pak karnemelk nog eens rond laat gaan, zoeken ze naar het laatste stukje ideologische veer dat nog vastberaden kan worden weggeplukt.

Het laatste rotsvaste standpunt dat ineens boterzacht blijkt.

Omdat ze niets liever willen dan ons regeren.

En dat in de multiculturele mozaïekstad Den Haag,

Het zijn verwarrende signalen.

‘Maar nee,’ zei De Beste Vriend Van Mark (‘Ik mag Mark zeggen’; tja, wie niet), in de Haagse kroeg. ‘De regering neemt afstand van het relativerende ideaal van de multiculturele samenleving.’

Alleen: dat had de nieuwskoppen niet gehaald.

Dat vond De Beste Vriend Van Mark ook wel best.

Er waren tenslotte zat kiezers die wanneer ze een heel klein beetje jeuk in hun oksel hadden, de Marokkanen er alweer bij haalden.

Of de Polen, ze raakten soms zelf ook in de war.

Het zijn verwarrende tijden.

Binnenkort verschijnen de eerste pop-ups langs de grens.

‘U bezoekt Nederland via een ander land. Weet u zeker dat u Nederland wilt bezoeken?’

Een grote zwarte kous

Het liefst had de SGP de boerka zelf bedacht. Want, prijs de heer, wat was dát een prachtige uitvinding.

Met een boerka hoefde je niet langer te doen alsof er geen vrouwen in de kamer waren,  je hoefde niet te doen alsof je ze niet zag; je zag ze simpelweg niet.

De boerka bracht de vrouw in het openbaar terug tot een in het diepste zwart gestoken en met boodschappentassen voort sjokkend object.

De zwarte kous tot in perfectie doortrokken.

Met precies een stukje open bij de ogen zodat moeders de vrouw verdomme niet weer

het verkeerde merk pruimtabak zou kopen.

Was de SGP toch wat eerder geweest met de boerka?

Dan had de Partij van de Meeuwen fier de barricade op gekund voor ‘dezen Joodsch-Christelijken Traeditie’.

En ze had iedereen die het niet snapte knettergek, levensgevaarlijk, volslagen krankzinnig en sowieso een klein beetje links genoemd.

De liberalen zouden vertellen hoe dicht de boerka eigenlijk bij hun eigen gedachtegoed kwam, zolang het er één was die goed kleurde bij een parelketting.

Ze zouden met grote pullen bier proosten op het onvervreemdbare recht de boerka te dragen.

Om Nederland tegen de Nederlanders te beschermen.

Buschauffeurs die een vrouw met boerka liever niet vervoerden, tja, die hield je toch.

Maar ze zouden op de eerstvolgende partijdag van het CDA onder luid gejoel naakt het podium op moeten om godverdomme per direct hun lidmaatschap in te leveren.

De weigerchauffeur, de horzel, de kakkerlak.

En wanneer er dan buitenlanders, want tja die hield je toch, langskwamen die ons vroegen waarom we in godsnaam mannen toestonden om vrouwen in een grote zwarte kous te stoppen?

We zouden ze als één man, en hier en daar een mompelende vrouw, toe blaffen dat ze met hun rotpoten van onze rotboerka moesten afblijven.

Van onze Vrijheid.

Twittergetoeter

Ik zou best nog wel een keertje net als vroeger weer heel even zwart-wit willen zijn.

Geen twittergetoeter.

Geen facebookgebeuk.

Geen peroxideblonde puinzooi.

Griekenland was nog het land van machtige souvlaki en prachtige tragedie, de praatjesmakers hadden het voetbal en het schaatsen nog niet gestolen.

En in Nederland kon je nog gewoon boodschappen doen zonder dat iemand clichépraat in je nek begon te rochelen over hoe de Marokkanen, de Polen, de linksmensen, de rechtsmensen en de media de schuld droegen voor zijn eigen sneue leven.

Ik hou van Blu-Ray hoor, begrijp me niet verkeerd…

En van Twitter en Spotify en iPad en blogs en TED-praatjes en de tv-series die het Hollywood-drama naar de schaduw verwijzen en alle onbegrensde mogelijkheden die er zijn.

Ik hou van nu.

Maar ik hou niet meer zoveel van u.

Schreeuwend over onrecht, badend in weelde.

U kunt alles, u doet niets.

Kankergezwellen met een megafoon?

Doe maar gewoon, gewoon.

Rustig maar, verkrampte machtspoliticus die het ook niet meer weet.

Kalm eens, robuuste meningen spuwende opniemaker zonder standpunt.

En, nee dichtende vriend, u hoeft geen mening over voetbal te hebben.

Zap langs kanalen vol opgevoerde woede, uitgestreken verontwaardiging en minzaam olie op het vuur.

Alles voor niets.